Gesprek met een pastoor
Een eeuwenoud ritueel
Het miezert terwijl we door Utrecht naar de Sint Willibrordkerk spoeden. Het kerkgebouw staat verscholen tussen de bebouwing in de binnenstad van Utrecht, niet ver van de beroemde Dom. Het uiterlijk van de kerk is sober: donkere steen, donkere ramen. Het grootste gedeelte van deze in de 19e eeuw gebouwde Neogotische constructie is later ingemetseld tussen andere huizen en winkels. Slechts één kapel en een weinig imposante entree zijn vanaf de straat goed zichtbaar en als kerk herkenbaar.
Maar wat de kerk aan de buitenzijde mist, maakt het extravagante, zeg maar glorieuze interieur ruimschoots goed. Geen centimeter van de wanden en het plafond is onbeschilderd. Helle kleuren -rood, groen, goud – slingerende lijnen en beeltenissen van Christus en de heiligen sieren alle zijden van het gebouw. Beelden van de Heilige Familie, de Goede Herder, het Heilig Hart van Christus en niet te vergeten Sint Willibrord, patroon van deze kerk, kijken vroom en streng in het schemer van het schip.
Wij zoeken een plek uit in de kapel aan de noordzijde van de kerk. Één oude vrouw zit voor ons op een bank te mediteren. Het is stil. Vooraan op het altaar hangt Jezus aan zijn kruis. Boven hem zit de heilige Willibrord, streng en trots.
Er klinkt een bel. We staan op. De priester, gekleed in een wit gewaad, en de misdienaar, in het rood, treden de kapel binnen. Het altaar wordt gekust, er wordt eerbiedig voor Christus gebogen. Dan pas richt de priester zich tot ons en spreekt: ”In nomime Patris et Filii et Spiritu Sancti.”
‘De Sint Willibrordkerk te Utrecht is een kerk met een bijzondere bestemming,’ vertelt pastoor Van der Vegt ons na het lezen van de Mis. In dit kerkgebouw wordt tegenwoordig uitsluitend liturgie gevierd in de oude taal van de Kerk, het Latijn. ‘De volkstaal is veranderlijk,’ zegt de pastoor. Als je vertaalt, moet je concessies doen.’
De vaste rubrieken van de Heilige Mis draagt de pastoor met rappe tong op. Latijn spreken kost hem duidelijk geen moeite. Alleen de schriftlezingen – één lezing uit het Oude Testament, één Psalm en (staand) één lezing uit het Evangelie – komen uit de Nederlandse Willibrordvertaling. Ook houdt de pastoor een korte preek in het Nederlands.
Na de preek begint de viering van de Eucharistie. Met zijn rug naar ons toe, mompelt de priester zijn gebeden in de richting van het kruisbeeld. Op gezette tijden wordt van ons een reactie (in het Latijn) verwacht. De misdienaar knielt wanneer de priester de hostie, het lichaam van Jezus Christus, boven zijn hoofd optilt. Er klinken bellen tijdens dit plechtige moment.
Geen van ons neemt de hostie in ontvangst. Dat is maar goed ook, leren wij later. ‘Wij verwachten dat mensen die niet Katholiek gedoopt zijn, niet meedoen aan de communie,’ laat de priester ons na de mis weten.
Na de communie verricht de pastoor nog diverse rituele handelingen. De wijn wordt opgedronken. De heilige reserve wordt bewaard in een kluis achter het altaar.
Vervolgens richt hij zich weer tot ons, spreekt in het Latijn een zegen uit en gebiedt ons de wereld in te trekken.
‘Deo gratias,’ klinkt ons antwoord: Wij danken God.
Rond de tafel
Wij zijn benieuwd geworden naar deze priester en kijken ernaar uit met hem te spreken.
Terwijl de pastoor zich elders omkleedt, wordt ons een kopje koffie aangeboden. We begeven ons naar een binnenhofje in de kerk en gaan zitten. Na enkele ogenblikken komt pastoor Van der Vegt binnen in een zwart pak. Aan het witte boordje in zijn bloes is hij voor iedereen direct herkenbaar als Rooms-Katholiek priester. Het is een lange man, grijzend haar, blauwe ogen.
‘Hoe lang bent u al pastoor?’ vragen wij om het ijs te breken.
‘Sinds 1984, al 26 jaar.’ is het antwoord. ‘Ik ben tot priester gewijd door Monseigneur Geiser, bisschop van het bisdom Roermond. In 1977 ben ik naar het seminarie gegaan.’
Een seminarie is een soort priesteropleiding, leren wij. De seminaristen wonen intern, als ware het een internaat, een communiteit: ze doen alles samen. Hij vertelt ons hoe de seminaries in de jaren ’60 verdwenen in Nederland. De studie theologie werd ondergebracht bij de universiteit. ‘In die tijd zijn er erg weinig priesters gewijd, waar we nu nog steeds hinder aan ondervinden. Er zijn nu veel oudere en veel jongere priesters.’ Priesters van middelbare leeftijd zijn er nauwelijks. ‘Dit is lastig,’ vindt pastoor Van der Vegt. ‘Juist uit deze groep worden de leidinggevende functies in de kerk gegeven.’
‘Wat betekent het priesterschap voor u?’ vragen wij.
‘Overgave!’ klinkt het antwoord resoluut. ‘Zoals Paulus zegt: niet ik, maar Christus in mij.
Dat zie je aan je leefstijl: celibatair. Beschikbaar zijn. Afzien van macht, status, eer en aanzien. Er zijn voor een ander: 24/7. Anders dan een maatschappelijk werker. Die heeft tijd voor zijn cliënten van 9 tot 5. Een priester is er de hele dag. Altijd!’
Om er altijd voor de mensen te kunnen zijn, leeft hij met het leven van Christus als voorbeeld. ‘Zoals Christus rondtrok en zijn leven gaf, zo ook de priester. Vanuit het voorbeeld van Christus vier ik dagelijks de eucharistie.’
Ook heiligt de pastoor zijn leven door het gebed, het dagelijks lezen van de psalmen en de Bijbel: ‘In vier weken lees ik zo alle 150 psalmen. In drie jaar tijd lezen we het grootste gedeelte van de Heilige Schrift.’
Het gebedsleven ziet de priester als zijn eerste taak. En van daaruit richt hij zich op de andere mensen.
‘Wat ik belangrijk vind,’ zegt hij, ‘is dat je mensen ook in het geestelijk leven begeleidt: het sacrament van de verzoening.’
‘Op welke manier helpt dat?’ is onze vraag.
‘Namens God mag ik aan mensen ruimte geven. De mens mag een nieuwe pagina omslaan van zijn levensdagboek, zodat hij opnieuw kan beginnen.’ De priester reciteert een formule die hij gebruikt bij het verlenen van de absolutie.
‘Als priester sta ik niet tussen God en de mensen in. Dat was vroeger zo. Maar ik sta naast de mens.
De priester is geen middelaar die alles van je afneemt, maar die je op je schouders klopt en zegt: heb je daar al aan gedacht?
Niet als een moeder die zegt: ”Ik doe het wel voor je.” Maar één die zegt: “Daar is de wasmand, ga maar aan de slag.”
Je moeder doet toch ook niet jouw studie voor je?’
Marketting of mysterie
De Sint Willibrordkerk heeft plaats voor ongeveer 400 mensen. Tijdens de mis was er, op ons na, echter slechts één vrouw aanwezig. Deze gelezen mis werd daarom in een kleine kapel gehouden. De hoogmis op zondag wordt op het hoogaltaar in het priesterkoor van de kerk gevierd.
‘Hoeveel leden heeft deze parochie?’ vragen wij ons af. De pastoor ontwijkt het antwoord aanvankelijk. ‘Er is zevenhonderd man ingeschreven,’ zegt hij tenslotte. ‘Maar een volle kerk zegt nog niks.’
De pastoor en de parochie richten zich niet speciaal op jongeren. ‘Wij geloven niet in dergelijke hokjes. Wij zijn één kerk, voor iedereen. Er komt juist veel jeugd. De vorm van het vieren drukt iets uit van het mysterie van het leven. Niet alles is verklaarbaar.’
Als hij onze vragende blikt ziet, komt hij met een parabel.
‘Het is als een zwembad: De oude generatie meet het zwembad op qua grootte en de hoeveelheid chloor, maar zij is vergeten waar het zwembad voor is. Jongeren ervaren het zwembad waarvoor het bedoeld is: om in te zwemmen.
Ouderen hebben vaak vooroordelen. Ik kan zelfs met mijn eigen moeder nauwelijks over het geloof praten.
Mensen zijn doorgeschoten in het weten en denken het geloof niet nodig te hebben.
Geloof kun je niet doorgeven. Iedere generatie zal zelf antwoord op God moeten geven. Het is geen kwestie van marktwerking, een goed product leveren of goede PR.’
Daarom meent pastoor van der Vegt, dat het niet nodig is grootse evenementen te organiseren. Hij wil een open gemeenschap vormen waarin de Geest van God mensen vanzelf brengt bij dat wat ze nodig hebben.
‘Ik verkondig door gewoon aanwezig te zijn. Door de deur open te zetten, een kaarsje aan te bieden. Er wordt niets van de mensen gevraagd. Ze moeten zelf het initiatief nemen. In de mens ligt het verlangen God te zoeken en te vinden.’
‘Ik vraag van mensen niet om vooraan in de Kerk te gaan zitten. Als mensen op de achterste bank willen zitten, moeten ze lekker op de achterste bank blijven zitten.‘
Hij vertelt nog een verhaal.
‘Er was eens een oude Pater in Wenen. De kerk werd steeds leger. De mensen zeiden: hij kan dit niet, hij kan dat niet, hij kan niet preken!
Op een dag zat er achter de preekstoel een dronken man in de kerk.
De Pater op de preekstoel zei: “Ik kap ermee!”’
‘Jaren later kwam hij de dronkaard tegen. Deze zei: Dat was uw beste preek: “ik kap ermee!”
Hij was nu een succesvol man geworden, gestopt met drinken.’
‘Mensen halen soms heel andere dingen uit de preek, dan je erin legt.’
‘Het punt is: wat komt er binnen?
Het woord is maar één methode.
Geloven is: ja, ik ga ervoor.’
‘Zoek! Vind! Benut dat wat God je geeft. Ga die uitdaging aan.’
Met deze woorden, komt ons gesprek ten einde. We nemen afscheid van deze soms enigszins felle, maar bovenal innemende man.
Buitengekomen, merken we dat het gestopt is met regenen. Nog eenmaal zien we pastoor Van der Vegt op zijn fiets voorbijrijden. Op naar de volgende viering van de Mis in een andere kerk.
Over dit bericht
You’re currently reading “Gesprek met een pastoor,” an entry on Discipvlvs's web-log
- Gepubliceerd:
- 02/10/2010 / 00:57
- Categorie:
- Algemeen,Geloof en filosofie,Studiezaken
- Tags:
Nog geen reacties
Ga naar reactie formulier | comment rss [?] | trackback uri [?]